Miles Davis is overleden
Op 28 september 1991 overleed in Santa Monica, Californië, Miles Dewey Davis III, 65 jaar oud. Hij stierf aan de gevolgen van een beroerte, longontsteking en ademhalingsfalen. Met hem verdween een van de belangrijkste musici van de twintigste eeuw. Miles Davis was een trompettist die de jazz niet één keer, maar keer op keer vernieuwde: van bebop en cool jazz tot modale jazz, fusion en funk. Vandaag is het precies 35 jaar geleden dat hij overleed.
Miles Davis werd op 26 mei 1926 geboren in Alton, Illinois, in een welgestelde Afro-Amerikaanse familie. Zijn vader, Miles Dewey Davis Jr., was tandarts. Zijn moeder, Cleota Mae Henry, was muzieklerares en violiste. In 1927 verhuisde het gezin naar East St. Louis. In 1935 kreeg de jonge Miles zijn eerste trompet. Hij kreeg les van Elwood Buchanan, die hij later de grootste invloed op zijn leven noemde. Toen hij twaalf was, was muziek al het belangrijkste in zijn leven.
In september 1944 begon Davis aan de Juilliard School of Music in New York. Na drie semesters stopte hij, om zich helemaal op de muziek te richten. In New York zocht hij de bebop-scene op en speelde hij in het kwintet van saxofonist Charlie Parker. Al snel ging hij zijn eigen weg. In januari en april 1949 nam hij voor Capitol een reeks nummers op met een groter ensemble. Die opnames verschenen in 1957 als het album Birth of the Cool en waren van grote invloed op de koelere West Coast-jazz.
Daarna volgden donkere jaren. Van ongeveer 1949 tot 1954 was Davis verslaafd aan heroïne. Begin 1954 kickte hij af, nadat hij was teruggekeerd naar het huis van zijn vader. Zijn optreden op het Newport Jazz Festival in 1955 betekende de grote comeback. Het leverde hem een contract bij Columbia Records op. Hij vormde zijn eerste grote kwintet, met onder anderen saxofonist John Coltrane, pianist Red Garland, bassist Paul Chambers en drummer Philly Joe Jones. Met arrangeur Gil Evans maakte hij orkestrale meesterwerken als Miles Ahead (1957), Porgy and Bess (1959) en Sketches of Spain (1960).
Zijn bekendste album verscheen op 17 augustus 1959: Kind of Blue. Het werd opgenomen op 2 maart en 22 april 1959. Davis speelde het in met onder meer John Coltrane, Cannonball Adderley, Bill Evans, Paul Chambers en Jimmy Cobb. In plaats van snel wisselende akkoorden koos hij voor modale toonladders, die de solisten meer ruimte gaven. Kind of Blue groeide uit tot een van de populairste jazzalbums aller tijden, met wereldwijd ruim zes miljoen verkochte exemplaren. In 2009 eerde het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden het album als nationaal erfgoed.
Ook in Nederland liet Davis zich regelmatig horen, vooral in het Concertgebouw in Amsterdam. Op 3 november 1956 stond hij daar voor het eerst, in het programma Birdland '56 met onder anderen Lester Young. Op 8 december 1957 gaf hij er een volledige avond met zijn kwintet. Het werd een van de meest besproken jazzconcerten in de geschiedenis van de zaal: op 9 april 1960 speelde hij er met John Coltrane, Wynton Kelly, Paul Chambers en Jimmy Cobb. Coltranes gedurfde improvisaties schokten een deel van het publiek. Op 15 oktober 1960 kwam hij terug, nu met Sonny Stitt op saxofoon. Beide concerten zijn later op plaat verschenen. In september 1964 stond hij er met zijn tweede grote kwintet, met Wayne Shorter, Herbie Hancock, Ron Carter en de piepjonge drummer Tony Williams. Op 30 april 1982 speelde hij er voor het laatst. In de Nederlandse albumlijst kwam hij tot plaats 46 met Tutu (1986).
Stilstaan deed Davis nooit. Met zijn tweede grote kwintet maakte hij albums als E.S.P. (1965) en Miles Smiles (1967). Met In a Silent Way (1969) en vooral Bitches Brew (1970) zette hij de deur open naar jazzrock en fusion. Bitches Brew verkocht uiteindelijk meer dan een miljoen exemplaren. Op het Isle of Wight Festival van 1970 speelde hij voor naar schatting 600.000 mensen, het grootste publiek uit zijn loopbaan. Albums als On the Corner (1972), Agharta en Pangaea gingen nog verder in funk, rock en elektronica en zorgden destijds voor veel discussie.
Na een optreden in september 1975 trok hij zich vijf jaar terug, geplaagd door gezondheidsproblemen en drank- en drugsgebruik. In 1981 kwam hij terug met The Man with the Horn. We Want Miles leverde hem daarna een Grammy op. In 1982 raakte zijn rechterhand na een beroerte tijdelijk verlamd. Actrice Cicely Tyson, met wie hij van 1981 tot 1989 getrouwd was, hielp hem bij zijn herstel. In de jaren tachtig omarmde hij synthesizers, samples en drumcomputers. Op Tutu, geproduceerd en grotendeels geschreven door bassist Marcus Miller, klinkt hij modern en eigentijds. Voor zijn trompetspel op dat album won hij een Grammy.
Ook in zijn laatste jaren bleef Davis actief. In 1990 kreeg hij een Grammy voor zijn hele oeuvre. Op 8 juli 1991 keek hij op het Montreux Jazz Festival voor één keer terug op zijn werk met Gil Evans. Twee dagen later werd hij in Parijs benoemd tot Ridder in het Legioen van Eer. Op 25 augustus 1991 stond hij voor het laatst op het podium, in de Hollywood Bowl. Een maand later overleed hij. Na zijn dood verscheen onder meer het hiphop-getinte album Doo-Bop (1992). In 2006 werd hij opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame.
Rolling Stone noemde Miles Davis de meest vereerde jazztrompettist aller tijden en een van de belangrijkste musici van de twintigste eeuw. Zijn invloed reikt tot ver buiten de jazz, in rock, funk, klassieke muziek en hiphop. Vijfendertig jaar na zijn dood klinkt Kind of Blue nog altijd verrassend eigentijds.
