Cover Top 3 – 1972

1. I Put a Spell on You – Screamin’ Jay Hawkins (1956)
Jalacy “Screamin’ Jay” Hawkins nam het nummer voor het eerst op in 1955 voor Grand Records, samen co-geschreven met Herb Slotkin, maar die versie werd destijds niet uitgebracht. In 1956 tekende Hawkins bij Okeh Records en nam hij in september van dat jaar een nieuwe versie op als zijn eerste single voor het label. Producer Arnold Maxin vond de opnames te braaf klinken en liet drank en kip aanrukken om de band dronken te voeren voordat de opnameknop aanging. Hawkins had het nummer oorspronkelijk bedoeld als een verfijnde, ingetogen bluesballad. Het resultaat werd een wild, schreeuwend stuk vol gegrom en gelach dat niets meer met het originele idee te maken had. De single verscheen in november 1956 met “Little Demon” als b-kant. De plaat werd bij veel radiostations verboden vanwege de vermeende “kannibalistische” geluiden aan het eind van het nummer. Ondanks dat verbod verkocht de plaat naar verluidt meer dan een miljoen exemplaren, al kwam hij nooit in de Billboard pop- of R&B-hitlijsten terecht. Het nummer werd de basis van Hawkins’ beruchte podiumpersonage: hij verscheen op het toneel uit een brandende doodskist en droeg een schedel op een stok die hij “Henry” noemde. Het nummer is opgenomen in de lijst van 500 nummers die rock-‘n-roll vormgaven van de Rock and Roll Hall of Fame en staat op nummer 313 in Rolling Stone’s lijst van 500 beste nummers ooit. Er zijn sindsdien enkele honderden covers gemaakt. De bekendste cover is die van Creedence Clearwater Revival, die het nummer als single uitbrachten na hun hit “Susie Q” en daarmee in december 1968 de 58e plaats in de Billboard-hitlijst haalden. In Nederland werd juist deze CCR-cover in 1972 opnieuw uitgebracht en werd het zelfs de grootste Nederlandse hit van de band. Ook Nina Simone (1965), Alan Price Set, The Crazy World of Arthur Brown, Bryan Ferry en Sonique brachten succesvolle versies uit. Zelf vond Hawkins het career-defining nummer een blok aan zijn been: hij voelde zich later gereduceerd tot een gimmick in plaats van een serieuze zanger.

2. Papa Was a Rollin’ Stone – The Undisputed Truth (1972)
Het nummer werd in 1971 geschreven door Norman Whitfield en Barrett Strong voor de Motown-band The Undisputed Truth, een groep die Whitfield zelf in 1970 had samengesteld als proeftuin voor zijn psychedelische soul-ideeën. De eerste opname vond plaats op 29 maart 1972 en de single verscheen op 9 mei 1972. Deze originele versie bereikte plaats 63 in de popcharts en plaats 24 in de R&B-lijst — een bescheiden resultaat. Het was een drie minuten durende, vervormde, met blazers doorspekte track die vooral op R&B-radio een kleine hit werd. Bassist Bob Babbitt speelde de kenmerkende baslijn op deze originele opname. De track verscheen later ook op het Undisputed Truth-album “Law of the Land” uit 1973. Whitfield was niet tevreden met het commerciële succes en besloot het nummer opnieuw op te nemen, ditmaal met The Temptations. Arrangeur Paul Riser schreef een nieuw, meer suspense-volle arrangement, geïnspireerd op de soundtrack van de film Shaft. De opname groeide uit tot een twaalf minuten durend, symfonisch epos. De Temptations waren aanvankelijk niet enthousiast; zanger Dennis Edwards had moeite met de openingsregels over een overleden vader. Op de uiteindelijke plaat wisselen alle Temptations elkaar af als leadzanger, zonder één vaste solist. De ingekorte single verscheen in september 1972 en werd een nummer 1-hit op de Billboard Hot 100 — de laatste chart-topper uit de carrière van The Temptations. Het nummer won in 1973 drie Grammy Awards, waaronder Best R&B Song voor Whitfield en Strong als schrijvers. In 1999 werd het opgenomen in de Grammy Hall of Fame. Zo werd een aanvankelijk matig scorend Motown-nummer via een cover door een zustergroep alsnog een van de grootste soulklassiekers van de jaren ’70.

3. The First Time Ever I Saw Your Face – Ewan MacColl (1957)
Ewan MacColl schreef dit folkliedje in 1957 voor Peggy Seeger, die later zijn derde vrouw zou worden, terwijl hij op dat moment nog getrouwd was met zijn tweede vrouw Jean Newlove. Seeger had gevraagd om een hoopvol liefdesliedje voor een radioshow waarvoor ze in Los Angeles werkte, omdat het meeste materiaal dat ze zong nogal droevig was. MacColl schreef het nummer snel en zong het haar telefonisch voor vanuit Engeland. Seeger voerde het geregeld live uit, maar bracht pas in 1962 haar eigen opname uit; MacColl zelf heeft het nummer nooit opgenomen. In de jaren ’60 werd het nummer door tal van artiesten gecoverd, onder wie Peter, Paul and Mary, Gordon Lightfoot en zelfs Elvis Presley. MacColl moest niets hebben van deze covers: hij hield een speciale sectie in zijn platencollectie bij die hij “de kamer van gruwelen” noemde. Roberta Flack hoorde het nummer via een uitvoering van het duo Joe & Eddie uit 1963 en nam het in februari 1969 op voor haar debuutalbum “First Take”. Haar versie was aanzienlijk langzamer en meer dan twee keer zo lang als Seegers oorspronkelijke uitvoering. Het bleef aanvankelijk onopgemerkt, tot regisseur Clint Eastwood het nummer in 1971 gebruikte in zijn regiedebuut “Play Misty for Me”, waarna het alsnog een enorme hit werd — meer dan drie jaar na de oorspronkelijke release op het album. De single won Grammy Awards voor Record of the Year en Song of the Year, en Billboard riep het uit tot de nummer 1-single van heel 1972. Het gold destijds ook als de bestverkochte single van dat jaar. Peggy Seeger vond Flacks interpretatie in eerste instantie niet goed, maar is er later alsnog van gaan houden. Het nummer is inmiddels meer dan duizend keer gecoverd, onder anderen door Celine Dion (2000) en Leona Lewis (2007), maar het is en blijft de gevoelige, ingetogen versie van Roberta Flack die het lied wereldberoemd maakte.