David Steele is vandaag jarig
Van ska-pionier naar wereldster
David Steele, geboren op 8 september 1960 op het Isle of Wight, geldt als een van de meest invloedrijke Britse muzikanten die de popmuziek van de jaren tachtig mede vormgaf. Zijn carrière nam een vlucht in Birmingham, waar hij zich aansloot bij de iconische ska-band The Beat. Als bassist bracht Steele een unieke, strakke stijl in de band; hij combineerde de Jamaicaanse invloeden van ska en reggae met een punky, gedreven precisie. Nummers als “Mirror in the Bathroom” leunen zwaar op zijn kenmerkende baslijnen, die de muziek van The Beat een direct herkenbare ‘drive’ gaven. Voor velen was Steele de geheime motor achter het succes van de groep, die een brug sloeg tussen subculturen en een breed publiek.
De geboorte van Fine Young Cannibals
Toen The Beat in 1983 uit elkaar viel, bleven Steele en gitarist Andy Cox vastbesloten om hun muzikale visie voort te zetten. Na een intensieve zoektocht naar een frontman, waarbij ze honderden auditietape beluisterden, vonden zij in de charismatische Roland Gift de ideale zanger. Samen vormden zij de Fine Young Cannibals. De bandnaam, ontleend aan een film uit 1960, bleek een voorbode voor een muzikaal avontuur dat soul, pop en elektronische invloeden naadloos met elkaar zou verweven. Hoewel hun beginjaren in het teken stonden van het zoeken naar een platencontract, zorgde een optreden in het tv-programma The Tube in 1985 voor de definitieve doorbraak.
Internationaal succes en hitlijstnoteringen
De Fine Young Cannibals scoorden wereldwijd, en ook in Nederland waren zij niet uit de hitlijsten weg te denken. Het succes bereikte een absoluut hoogtepunt met het album “The Raw & the Cooked” uit 1989. Met singles als “She Drives Me Crazy” en “Good Thing” bereikte de band de top van de hitlijsten, waaronder de Billboard Hot 100 in de Verenigde Staten. Ook in de Nederlandse Top 40 bewezen de Cannibals hun hitgevoeligheid met noteringen die hun status als internationale supersterren bevestigden. De band wist de kritische waardering van de muziekpers te combineren met een enorme commerciële aantrekkingskracht, wat resulteerde in twee Brit Awards in 1990: voor Best British Group en Best British Album.
De veelzijdige rol als producent en architect van geluid
Wat Steele onderscheidde van veel tijdgenoten was zijn vermogen om buiten de kaders van zijn eigen band te treden. Naast zijn werk als bassist en songwriter ontwikkelde hij zich tot een gewaardeerd producent. Samen met Andy Cox experimenteerde hij met elektronische muziek, onder meer onder de naam “Two Men, a Drum Machine and a Trumpet”, waarmee ze in 1988 met “Tired of Getting Pushed Around” een notering in de Britse hitlijst behaalden. In de jaren daarna werkte Steele met uiteenlopende artiesten als Monie Love en de soullegende Al Green aan diens album “Don’t Look Back”. Juist in deze samenwerkingen kwam zijn veelzijdigheid naar voren; hij wist met een scherp oor voor talent en een rustige, bedachtzame werkwijze het beste uit vocalisten te halen, ver buiten de grenzen van de popmuziek waarin hij zijn sporen verdiende.
Blijvende invloed op de moderne popmuziek
Ook vandaag, nu de popmuziek uit de jaren tachtig nog altijd volop wordt herontdekt en gewaardeerd, blijft de invloed van David Steele voelbaar. Met de recente uitgave van de “FYC40” boxset, die het veertigjarig jubileum van de band viert, wordt nogmaals duidelijk hoe tijdloos de composities zijn waaraan hij meewerkte. Zijn bijdragen, zowel in de rauwe ska-klanken van The Beat als in het verfijnde soul-popgeluid van de Fine Young Cannibals, vormen nog steeds een studieobject voor menig bassist en producent. De erfenis van Steele ligt niet alleen in de grote hits die nog dagelijks op de radio klinken, maar ook in de manier waarop hij genreoverstijgend durfde te denken en produceren, en daarmee een blijvende stempel drukte op het muzikale landschap.
Ik heb veel bronnen geraadpleegd. Desondanks kan er altijd een fout in staan.
